Is staken nog van deze tijd? - Dries Deweer Auteur: Dries Deweer

do 17/12/2015 - 07:58 Dries Deweer Na de grotesk ogende stakingsaanzegging van de spoorbonden ligt het stakingsrecht nog maar eens onder vuur. Staken heeft geen plaats in de eenentwintigste eeuw, horen we meer en meer. Het uitbreiden van regels voor minimale dienstverlening en het kortwieken van de vakbonden moeten ons verlossen van de miserie. Laat ons hopen dat die hervormingstrein een goede noodrem heeft, want hij dendert recht op onze vrijheid en gelijkheid af.

Dries Deweer is politiek filosoof. Hij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de KU Leuven.

Leve de vakbond!

Staken stoort. Laat mij beginnen met dat te erkennen. Ook ik ken het gevoel van het station binnen te stappen om er een bord vol afgeschafte treinen aan te treffen. En ja hoor, ook ik kan ze dan hartsgrondig vervloeken, die lui in hun felgekleurde vuilniszakken. Of ik dan ook vind dat we de aflijning van onze rechten door dergelijke frustraties moeten laten influisteren? Dat dan weer niet. We moeten leren verder te kijken dan onze neus lang is. Een beetje sociale wetenschap leert dat het stakingsrecht en sterke vakbonden te belangrijk zijn om overboord te gooien.

Om te beginnen moeten we de zaken in historisch perspectief zien. Weinig tot geen maatschappelijke emancipatie is ooit tot stand gekomen louter en alleen door het vriendelijk te vragen. Zonder de vakbonden en hun verfoeide stakingen en betogingen leefden we nog steeds onder de knoet van het "patronaat", zoals in de tijd van Daens. Wie denkt dat alle strijd nu gestreden is, die dwaalt.

Allereerst bestaat er nog steeds uitbuiting, ook onder onze eigen neus. Mensen in allerlei flexibele – lees: precaire – statuten kunnen ervan meespreken. Om van illegalen nog maar te zwijgen. Bovendien slaapt sinds de economische crisis niemand nog op zijn twee oren. De verworvenheden van gisteren liggen verre van noodzakelijk ook morgen nog op ons te wachten.

Wetenschappelijk onderzoek giet de maatschappelijke impact van sterke vakbonden in tastbare cijfers. Een recente IMF-studie toont nog maar eens het verband tussen vakbondssterkte en de zogenaamde Gini-coëfficiënt, die de ongelijkheid in een samenleving uitdrukt. Met andere woorden, als de macht van de vakbonden wordt gefnuikt, dan gaan de lage en middeninkomens erop achteruit, terwijl de rijken nog rijker worden. Die kloof tussen arm en rijk moeten we niet alleen in economische termen zien. De ongelijkheid qua politieke invloed stijgt navenant. We kunnen dus maar beter twee keer nadenken vooraleer we verdedigingsmechanismen van een vrije en gelijke samenleving ontmantelen.

Boeh de vakbond!

Wil dat zeggen dat we hooguit de schouders mogen ophalen bij alles wat vakbonden doen? Bijlange niet. Eerst en vooral staan vakbondsmilitanten helemaal niet boven de wet, zoals sommigen graag doen uitschijnen. Als een stel malloten de snelweg blokkeert, waardoor een ambulance met fatale gevolgen komt vast te zitten, dan bestaat er al meer dan voldoende wettelijke basis om hen verantwoordelijk te stellen voor die stommiteit. Daarvoor hoeft er helemaal niet gemorreld te worden aan grondwettelijke rechten.

Toch moeten vakbondsacties niet alleen binnen de grenzen van de wet blijven, maar ook binnen de grenzen van het gezond verstand. We mogen bijvoorbeeld vragen stellen bij de extreme stakingsbereidheid van sommige spoorbonden. Alleen is het aan de vakbonden zelf om de antwoorden te formuleren op die vragen. Zij moeten telkens opnieuw afwegen of hun acties in het belang van de werknemers zijn. Niet alleen op korte termijn, maar ook op lange termijn. Niet alleen in het belang van hun specifieke leden in deze of gene specifieke onderneming, maar ook in het belang van de vakbeweging als geheel.

Futiliteiten

Vakbonden en hun leiders hebben een deontologische plicht om wijs om te springen met het stakingsrecht. In veel omstandigheden dwingt hen dat om veeleer niet dan wel te staken. De (kleine) Nederlandse vakbond De Unie besliste onlangs zelfs om nooit meer naar het stakingswapen te grijpen. Ze zijn van oordeel dat het alleen maar averechts werkt. Misschien hebben ze een punt. Maar er is een groot verschil tussen het staken opgeven en het stakingsrecht opgeven. Als men van oordeel is dat de omstandigheden toch om de zware middelen vragen, dan moet de kleine man (of vrouw) zich collectief sterk kunnen maken. Dat is van cruciaal belang voor de gezondheid van onze democratie.

Het feit dat niet alle vakbonden en hun leiders van evenveel wijsheid getuigen, mag dus geen aanleiding geven tot het inperken van fundamentele democratische rechten. Wat we wel kunnen en moeten doen, is de wantoestanden bij naam noemen. Naming and shaming heet dat dan. Als Waalse spoorbonden met het oog op politieke destabilisatie gegijzeld worden door een communistische partij, zoals voormalig spoorbaas Marc Descheemaecker beweerde in De Zevende Dag, dan moet dat wereldkundig gemaakt worden (maar dan wel liefst met de bewijzen op tafel).

En als bepaalde vakbonden het stakingswapen afbotten door het voor futiliteiten in te zetten, dan mag en moet er moord en brand geschreeuwd worden, in eerste instantie binnen de vakbondswereld zelf. Wantoestanden moeten we aanklagen en als burgers en werknemers mogen we druk zetten opdat het stakingsrecht op doordachte wijze zou worden benut, om te beginnen via sociale verkiezingen. Maar snoeien in grondrechten van onze democratische samenleving? Neen, daarvoor moeten we desnoods het werk neerleggen.