Excuses voor "de dood met de kogel"? Auteur: Roger en Jos Gielen, Marie-Rose Delahaye en de families Vandenbosch-Steenbergen.

ma 21/10/2013 - 13:54 Roger en Jos Gielen, Marie-Rose Delahaye en de families Vandenbosch-Steenbergen. Wetenschappelijk onderzoekt heeft aangetoond dat het Belgische leger tijdens de Eerste Wereldoorlog ten onrechte jonge soldaten als "deserteurs" of "lafaards" bestrafte met "de dood met de kogel". Wanneer excuseert ons land zich eindelijk voor deze gerechtelijke dwalingen zodat deze zwarte bladzijde uit de geschiedenis kan omgedraaid worden?

Precies 99 jaar geleden, tijdens de Slag aan de IJzer, kwam soldaat Alphonse Gielen in Nieuwpoort om het leven. De 27-jarige hoefsmid uit het Haspengouwse dorpje Kleine-Spouwen was vader van drie kinderen. Zijn vrouw beviel vier dagen voor zijn oproeping van het jongste kind…

Enkele maanden later kwam de 20-jarige Paul Vandenbosch, een slotenmaker afkomstig uit Elsene, om in het Westhoekdorpje Pollinkhove.

Alphonse en Paul zijn onze dierbare familieleden, respectievelijk onze grootvader, overgrootvader en oom. Wat bindt deze twee soldaten van het Belgisch leger, die zoals zovele anderen “achter de IJzer” het leven lieten in de Groote Oorlog? Alphonse en Paul sneuvelden niet onder vijandelijk vuur, maar kregen de dood met de kogel. Net als zeven andere Belgische soldaten werden Alphonse en Paul immers door een krijgsraad als ‘deserteur’ of ‘lafaard’ ter dood veroordeeld. Als ze al een gratieverzoek konden indienen, antwoordde koning Albert I eigenhandig: Rejeté. Geweigerd.

Waarna meteen de executie volgde: vastgebonden aan een kleine houten paal, een groep soldaten die verplicht diende toe te kijken, twaalf doodsbleke collega-soldaten met het geweer in aanslag, het salvo, de ineengezakte jongen, het genadeschot. Het doorzeefde lichaam werd in een weide of aan de rand van het dorpskerkhof begraven. Een plaatsje op een militaire begraafplaats was voor deze geëxecuteerden niet weggelegd.

Onze rouwende ouders en grootouders kregen geen graf om te bewenen.

Gerechtelijke dwalingen

Recent historisch onderzoek leert ons dat Alphonse, Paul en de zeven andere ‘deserteurs’ en ‘lafaards’ allesbehalve een eerlijk proces kregen. De reconstructie van hun processen, met zorg geanalyseerd in het boek De dood met de kogel van Siegfried Debaeke, brengt een ontstellende reeks gerechtelijke dwalingen aan het licht.

In gevallen van vermeende desertie baseerden auditeurs en krijgsraden zich op een afgedankte napoleontische verordening om de doodstraf te vorderen én uit te spreken. Meermaals stond de doodstraf totaal niet in verhouding tot het vergrijp, maar kwam het vonnis er na druk van de legerleiding. Op zittingen van de krijgsraad werden nagenoeg alleen getuigen ten laste – lees: oversten – opgeroepen. Daardoor vielen loze beschuldigingen van insubordinatie (weigering om een bevel op te volgen) voor een beklaagde wel heel moeilijk te weerleggen.

De rechten van de verdediging werden nooit ernstig genomen. De ambtshalve aangestelde advocaten, meestal oorlogsvrijwilligers, kregen geen tijd om een degelijk pleidooi op te stellen, zelfs niet nadat het front in de ondergelopen polders aan de IJzer was vastgelopen. De processen werden steevast op een drafje afgehandeld, hoe zwaar de beschuldigingen ook klonken. Een kwartier volstond om de doodstraf uit te spreken.

De verdediging werd alle bestaande rechtsmiddelen ontnomen. Meerdere keren geraakte het gratieverzoek zelfs niet tot bij de koning. Tot einde 1915 konden advocaten – ten onrechte – niet in hoger beroep gaan. Niets stond flagrante procedurefouten of onregelmatigheden in de weg: het Hof van Cassatie zetelde immers in bezet België. Zelfs voor de doodstraf, een straf die na uitvoering niet meer kan hersteld worden, was geen instantie voorhanden om verhaal aan te tekenen.

Zelden in onze geschiedenis werkte een justitieel apparaat zo arbitrair. Misdrijven werden meer of minder bestraft naargelang de samenstelling van de krijgsraad, de auditeur, het moment in de oorlog, de geest van de troepen, de druk van de militaire hiërarchie of eenvoudigweg het humeur van de voorzitter. Zo hebben gelijkaardige misdrijven tot de meest uiteenlopende vonnissen geleid.

Klassenjustitie oordeelt meedogenloos

Het historisch onderzoek van Siegfried Debaeke leert ons dat de gefusilleerden uit alle hoeken van het land kwamen: van Farciennes (Henegouwen), Molenbeek tot Wetteren. Ze verdienden de kost als mijnwerker, smid, wolbewerker, slotenmaker of fabrieksarbeider. Niet toevallig ging het om volksjongens van heel bescheiden sociale afkomst, die nauwelijks onderwijs genoten hadden en waarvan sommigen met moeite konden lezen en schrijven.

De arme drommels wisten niet eens hoe zich te verweren tegen de aanklachten van de uit de bourgeoisie stammende krijgsauditeurs. De analyse van de processtukken toont zelfs aan dat verschillende terdoodveroordeelden geen idee hadden wat hen tijdens het onderzoek of op de krijgsraadzitting boven het hoofd hing. Sommige van de veroordeelden hadden een licht vergrijp begaan. Anderen stonden onschuldig terecht. Zo verloren twee soldaten in het strijdgewoel in de streek van Mechelen, zoals zovele anderen, hun eenheid uit het oog. Ze misten één of twee appels alvorens ze zich weer vrijwillig (!) aanmeldden. Tot ontzetting van hun strijdmakkers kregen beiden de dood met de kogel.

De twee soldaten, die generaal De Ceuninck in mei 1915 “als voorbeeld” liet fusilleren, hadden waarschijnlijk te kampen met het posttraumatisch stresssyndroom (of shellshock). Noch krijgsraad, noch auditeur vonden evenwel dat een medisch onderzoek gerechtvaardigd was. Ook hier lokten de executies protest uit.

100 jaar later

Het verhaal van Alphonse, Paul en de zeven andere terechtgestelde soldaten is een schrijnend verhaal. Rechteloosheid joeg hen volkomen nodeloos de dood in.
Vandaag maakt dit land zich op voor de honderdste verjaardag van de Eerste Wereldoorlog. We herinneren en herdenken: de waanzin van de oorlog, de honderdduizenden slachtoffers. Verenigd in het nieuwe Europa herdenken we soldaten en burgers, vriend en vijand.

Maar Alphonse, Paul en de zeven anderen staan in de officiële geschiedschrijving nog steeds geboekstaafd als jongens die volkomen terecht de doodstraf kregen geboekstaafd. Alsof ze onvervalste criminelen zijn en geen oorlogsslachtoffers. Kan België de fouten die haar instellingen hebben gemaakt, vandaag ook toegeven en deze zwarte bladzijde eindelijk omslaan?

Dan kunnen ook onze families na 100 jaar onverwerkt leed voor het eerst rust vinden in het besef dat de gruwel van de oorlog echt ongenadig iedereen treft.

Op 4 augustus van volgend jaar starten de officiële plechtigheden in het kader van 100 jaar Groote Oorlog. De tijd dringt. Wie in parlement of regering neemt hier het initiatief? Wie biedt, namens ‘s lands instellingen die hij of zij vandaag vertegenwoordigt, publiek excuses aan?

(Roger en Jos Gielen, Marie-Rose Delahaye en de families Vandenbosch-Steenbergen. www@grootvadersoorlog.be)