Requiem voor een operarebel - Lucas Vanclooster Auteur: Lucas Vanclooster

zo 09/03/2014 - 11:09 Lucas Vanclooster Gerard Mortier is de zoon van een Gentse banketbakker. Zijn vader hield van boeken, vooral ernstige literatuur. Zijn moeder was meer gefascineerd door muziek en decors. Zij decoreerde het uitstalraam van de bakkerij, probeerde er met veel liefde en toewijding iets moois van te maken. En ze nam haar piepjonge zoontje mee naar de opera in Gent.

Operaatje spelen

Na een opvoering van De Toverfluit van Mozart, wat Mortier altijd een sleutelwerk van de Europese cultuur vond, wilde de kleine Gerard thuis ook toverfluiten. Moeder maakte de woonkamer vrij, plaatste planten die het woud moesten voorstellen, haalde de gordijnen van de ramen om ze voor het geïmproviseerde podium te hangen, plakte gekleurd mica over de schemerlampen en naaide theatrale gewaden. Gerard kon wat buurkinderen overhalen om mee te spelen, helaas kwam er niemand kijken. Ruim 40 jaar later zou Mortier nog eens een regie doen, toen een regisseur het op een bepaald moment liet afweten, maar het te laat was om de boel af te blazen. De schouwburg zat bomvol.

Gerard Mortier gaf altijd een wat harkerige indruk. Hij deed mij soms aan koning Boudewijn denken. Ook daar ligt de oorsprong in zijn kindertijd. Wegens ziekte van zijn moeder moest Gerard al vanaf de kleuterschool naar een internaat. Zijn vader zette hem gepakt en gezakt op tram 4 en legde uit waar hij moest uitstappen. Gerard was een jaar of vijf. Het internaat was een kwelling, hij haatte de nonnen. Het verklaart misschien waarom Mortier nooit sterk was in de omgang met vrouwen, enkele zangeressen uitgezonderd. En het verklaart ook zijn vreemde gedrag op trappen en in lange gangen, waar hij altijd struikelend op zoek ging naar de leuning.

Na het college waar jezuïet Van den Bunder zowat alle belangrijke vakken onderwees, maar vooral bezig was met literatuur en filosofie, vatte Gerard Mortier de studie rechten aan, later met communicatie erbij. Opmerkelijk: hij studeerde nooit muziek of kunstgeschiedenis. In zijn keurig pak met das en hoornen bril was hij een erg opvallende verschijning, we zaten op enkele jaren van 1968. Op de koop toe was die slungel gepassioneerd door opera. Een nerd zouden we zo iemand nu noemen. Eenzaamheid dreigde zijn lot te worden...

Operarebel with a cause

Gerard Mortier stichtte de organisatie Jeugd-Opera die groepjes jongeren naar de schouwburg in Gent wilde loodsen, en daartoe opriep middels een wervend tijdschrift en inleidende lezingen. Maar de Gentse opera was oubollig en amateuristisch. Paarden draafden op het verkeerde ogenblik over de scene, geblinddoekte sopranen omhelsden de verkeerde minnaar, zangers hielden hun horloge aan, Othello had een zwart gezicht maar witte handen en knieën. Zoals Johan Thielemans ooit schreef: je ging als criticus naar de opera om je achteraf te verkneukelen in de neersabeling van het stuk.

Wat dat neersabelen betreft, ging Mortier erg ver. Nog erger: hij schreef een witboek over de hervorming van de Vlaamse opera, en de samenvoeging van de huizen van Gent en Antwerpen. Afschaffen was ook een optie. Prompt verbood de directie hem de toegang tot de schouwburg, als een hooligan met stadionverbod. Maar Gerard Mortier vergeet nooit. Eind jaren 80 slaagde hij er verdraaid toch in om, ad interim, in bijberoep, de Vlaamse Opera te hervormen naar zijn beeld en gelijkenis.

Jan Briers senior was wel gecharmeerd door de ideeën van de rare jongeling en gaf hem als eerste de kans om professioneel met muziek te werken. Tijdens zijn legerdienst in Duitsland bezocht Mortier bijna alle Duitse operahuizen, en leerde hij de latere regisseur Gilbert Deflo en theatercriticus Pol Arias kennen. Logisch dat Mortier zijn eerste stappen in een echt operahuis in Duitsland zette, waar hij erg efficiënt een groot netwerk van gelijkgezinden uitbouwde.

De Munt

Intussen was ook de Nationale Opera in de Muntschouwburg in Brussel op de sukkel.. Directeur Maurice Huisman was nochtans knap begonnen, en vol goede wil om het genre te moderniseren. Hij nodigde Maurice Béjart, Jacques Brel en de Internationale Nieuwe Scene uit. Maar Huisman was gewoon te lang directeur, bijna een kwarteeuw, en medio jaren 70 ging het zienderogen achteruit.

Ondanks heftig verzet van ultra-francofone en aartsconservatieve kringen -er werd al gefluisterd dat hij homo was- kwam Gerard Mortier in 1981, nog geen 40 jaar oud, aan het hoofd van de Nationale Opera. De koning had toen nog medezeggenschap in de aanwijzing van de intendant. Mortier liet er geen gras over groeien, omringde zich meteen met een team dat op zijn golflengte zat. Toen kandidaat-dirigent sir John Pritchard een kennismakingsconcert in Brussel bijwoonde, wendde hij zich tot Mortier met de woorden: are you kidding?

Maar een eerste mirakel gebeurde. De muzikaal-elegante Pritchard en de jonge workaholic Sylvain Cambreling organiseerden tientallen audities, en stelden in een paar jaar tijd een gestroomlijnd orkest samen. Gunter Wagner en Guido Mandelinck deden hetzelfde gebeurde met het koor. Voor zijn eerste producties inviteerde Mortier al meteen de beste jonge regisseurs: Peter Stein, Gilbert Deflo, Karl-Ernst Herrman, later ook Luc Bondy en Patrice Chéreau. Om jongeren binnen te krijgen liet hij Paul Dujardin, nu baas van Bozar, een kopie van zijn Gentse vereniging Jeugd-Opera ontwikkelen.

Tweede mirakel: alles lukte. In geen tijd explodeeerde het aantal abonnees, het publiek verjongde zichtbaar, de recensenten geloofden hun oren en ogen niet en lieten dat ook blijken. Het was een van de wonderlijkste periodes in onze cultuurgeschiedenis. Dat er vanuit Parijs op zondag heelder treinladingen melomanen naar Brussel kwamen, beschouwde Mortier als een van zijn mooiste overwinningen.

Een paar jaar na Jan Hoet hadden we een tweede uitzonderlijke propagandist van de kunst. Twee Gentenaars vreemd genoeg..Het duo Hoet-Mortier deed mij soms denken aan het politieke ossenspan Dehaene-Tobback. Ze bespeelden de media van hun tijd vakkundig, en communiceerden heel direct, met heel hun lijf, met hart en ziel en zonder moeilijke woorden. Hun eenvoudige boodschap: niemand kan leven zonder kunst.

Blikseminslag

De faam van Mortier en De Munt sijpelde zelfs door tot West-Vlaanderen. Er was daar blijkbaar iets boeiends gaande in Brussel. De opera speelde nu ook Wozzeck van Alban Berg en andere 20ste eeuwse stukken. Als we eens zouden gaan kijken... Maar, zelfs al dachten we dat je toen nog zomaar op de dag zelf kon beslissen om een kaartje te kopen, die eerste paar jaar zijn we niet in Brussel geraakt. In zekere zin kwam Brussel dan maar naar mij.

In die tijd behaalde mijn eerste echtgenote haar hoger diploma klassieke gitaar, aan het conservatorium van Brussel. De uitreiking van de hogere diploma's ging altijd gepaard met een plechtig concert en een toespraak door een cultureel zwaargewicht. Dat jaar voerde Gerard Mortier het woord. Als er ogenblikken bestaan waarvan je achteraf glashelder weet dat daar je leven kantelde, welnu, dat was er één.

Mortier had het over het recht op kwaliteit en schoonheid voor alle mensen, en hoe kunst en cultuur dat bewerkstelligen. En dat cultuur belangrijker is dan economie, meer, dat economische welvaart niet voor maar NA artistieke bloei komt. Dat kunst niets kost maar opbrengt. Dat het domste wat je in een crisistijd dus kan doen besparen is op cultuur. Als hij veel later kritiek kreeg op het deficit van 25 miljoen euro dat hij in 1990 in Brussel achterliet antwoordde hij dat hij geen tekort maar een enorm kapitaal had gecreëerd.

Ik vraag me af of ik ooit iemand anders mijn nog slapende embryonale visie zo overtuigend heb horen verkondigen als toen deze kleine deftige heer met zijn fonkelende ogen achter zijn glimmende bril. Na de toespraak stoof ik op hem af, feliciteerde hem en vroeg of hij zijn lezing ook in het onbeschaafde verre westen wilde houden. Na veel vijven en zessen is dat effectief een paar keer gebeurd, voor een ontgoochelend klein publiek.

Meer volk kwam naar twee concerten, in een kerk in Roeselare en de stadsschouwburg van Brugge, van grote orkestwerken. Mortier is namelijk verre van elitair. Hij gruwde van de gedachte dat er mensen zijn die nooit in de mogelijkheid verkeren om in het echt de Vijfde van Beethoven, een meeslepende symfonie van Mozart, of werken van Bach te horen.

Chauffeur van Mortier

Om een lang verhaal kort te maken, van 1984 tot ‘91 heb ik alles gevolgd wat De Munt deed, van Don Giovanni tot Figaro's Bruiloft, via Wagner en Janacek. Van ‘85 tot ‘88 was ik er directiechauffeur. Chauffeur van Mortier wilde dat zeggen. Hij vertelde graag het verhaal dat hij ooit aan de leraar van de lagere school vroeg hoe je minister kon worden. Waarom wil jij minister worden? vroeg de schoolfrik. Dan heb ik een auto met chauffeur, antwoordde de ambitieuze scholier. Minister ben ik nog niet, glunderde Mortier, maar die Mercedes met chauffeur heb ik wel.

Mijn eerste seizoen in de opera verliep als op wolken. Tournees doorheen Duitsland en Oostenrijk, concerten in Parijs en Amsterdam, generale repetities, concerten van Mahler en Brückner... het kon niet op. Net als Mortier woonde ik de facto in de Muntschouwburg. Ik heb nog heimwee naar mijn piepklein kantoortje, dat ik deelde met de kopie- en fax-machine, heel hoog onder het dak kant Leopoldstraat, en naar de auto, waarin ik smolt van verlangen naar de wondermooie Finse sopraan Karita Matilla.

Toch was er van die drie jaar zeker een te veel aan. Het hectische leven was mede oorzaak van het einde van mijn eerste huwelijk. En toen minister van begroting Verhofstadt in zijn wilde besparingsdrift ook de De Munt wilde saneren, werd de werksfeer een stuk grimmiger. Na een toespraak voor de Liberale Vrouwen in Gent ging Mortier bij mevrouw Declercq pleiten of boegbeeld Willy zijn politieke zoon niet wat kon intomen.

In die tijd maakten wel meerdere politici hun opwachting. Met Willy Claes en Wilfried Martens schoot Mortier goed op. Hij liet Claes zelfs eens het orkest dirigeren, al had Cambreling dat wel stevig voorbereid. Andere socialisten vertrouwde hij minder. Daniel Ducarme en Antoine Duquesne, franstalige liberalen, beschouwde hij als zijn ergste kwelduivels. In Daniel Coens zag Mortier niet veel, en Hugo Coveliers, toen boegbeeld van de linkerzijde van de Volksunie vond hij ronduit een verschrikking. Hoe dan ook, na drie jaar was het afgelopen met de auto met chauffeur. Maar in Parijs en Salzburg had hij die opnieuw.

En zo reden we van speech naar concert, lunch, onderhandeling, en leerde ik Mortier kennen als een Machiavellist pur sang, maar ook als een geleidelijk soms wereldvreemde man die zich omringde met vleiers. Een typisch voorbeeld: in Salzburg wilde hij een regie door David Bowie. Maar Bowie, toen al zwaar passé, en beursgenoteerd o gruwel, hield Mortier maanden aan het lijntje, stelde ondoenbare eisen, zelfs voor Salzburg, en haakte af. En zijn eeuwige afkeer van Puccini, die verdraaid toch enkele knappe dingen heeft geschreven, was op den duur pathetisch.

Als chauffeur was ik meer dan discreet, ik voelde mij soms een eunuch. Recensenten, financiers en andere bobo's die hem aan tafel of op de achterbank nog verregaand hadden zitten slijmen, zegden totaal andere dingen als Mortier aan zijn woning was uitgestapt, en ik de invités naar de luchthaven of het hotel bracht. Dat ook in de cultuur dat soort politieke strategieën en messteken in de rug bestonden, ontgoochelde mij zeer.

Niet onfeilbaar

Thuis heb ik een hele map met interviews met Mortier. Hij zat er toch ook vaak opvallend naast. Onafgebroken verkondigde hij het einde van Europa als politiek-economische grootmacht. Ondanks alles bestaat de Europese Unie nog. Hij beweerde ook altijd dat hij de jeugd begreep. En hij deed grote moeite om alle soorten jongeren, ook leerlingen van de beroepsschool naar de schouwburg te halen. Uiteindelijk had hij toch alleen contact met een geprivilegieerd deel van de jongste generaties.

De man had uiteraard zijn kleine kantjes. Als hij honger had, werd hij onuitstaanbaar. Daarom at hij pro-actief. Wee het gebeente van medewerkers die niet voor koekjes en andere zoetigheden in de buurt hadden gezorgd. Meer dan eens heb ik hem horen pruilen: maar nu zit ik hier...zonder wafeltje. Voor Mortier heiligde het doel de middelen. Als het moest ging hij over lijken. Ja, hij laat ook een sliert depressies en burn-outs of nog erger achter. Wie of wat niet meer bruikbaar was, werd achtergelaten. Alles voor de kunst.

Gerard Mortier was very gay, maar kwam eigenlijk nooit officiëel uit de kast. Veel mensen vonden hem veeleer seksloos. In 1987 verscheen in Knack zijdelings iets over Mortiers geaardheid. Hij weigerde welkdanige rol dan ook te spelen in de holebi-beweging. Boeken of films die homoseksualiteit als een probleem behandelden, vond hij ergerlijk. Hij was dol op de film My Beautiful Laundrette van Stephen Frears naar het boek van Hanif Kureishi, en op het oeuvre van Pedro Almodovar; omdat daarin de herenliefde als vanzelfsprekend, of als feestelijk behandeld wordt. Toen een regisseur eens een lelijk decor verdedigde met de melding dat ergens iets symbool stond voor de vrouwelijjk-moederlijke vagina, antwoordde Mortier: van vagina's weet ik niets.

Katholieke reflex

Net als Jan Hoet behield Mortier ook altijd een religieus, ja katholiek element. Uiteraard mocht voor hem de kerk zich niet bemoeien met de moraal, maar moest ze de culturele, mysterieuze en spirituele dimensie van de godsdienst behouden en stimuleren. Net als Hoet plaatste hij Vlaanderen op de wereldkaart van het theater en de opera, denk aan Ten Oorlog van Tom Lanoye op de Ruhrtriennale, maar in tegenstelling tot zijn tegenhanger van de beeldende kunst heeft hij weinig betekend voor individuele kunstenaars, voor onze eigen zangers en solisten. Hij gaf Ivo van Hove en Guy Cassiers kansen toen die het internationaal al gemaakt hadden. Hoet deed dat andersom.

Opera gaat over liefde, haat, eros, jaloezie, verraad, macht, wraak, misdaad en dood. Het unieke van het muziektheater is dat het al die essentieel menselijke elementen in verhevigde vorm aanbiedt. En in een synthese en symbiose van verschillende kunstgenres. Hoe kunnen we oprecht en diep van iemand houden en toch verliefd worden op een ander? Waar en waarom moeten we sterven, hoe kunnen we onze erfenis achterlaten voor de nakomelingen? Waarom bestaat het leven vooral uit lijden?

Zingend sterven

Niets menselijks is opera vreemd. Kunnen we zingend sterven? In elk geval. De krachtige verdienste van Mortier is dat hij die boodschap er heeft doorgekregen. Iedereen heeft kunst nodig. Op voorwaarde dat we de grote werken uit de traditie, van de antieke toneelstukken over Shakespeare en Mozart tot composities van een eeuw geleden durven herdenken en aanpassen aan vandaag en morgen.

Over mijn avonturen als chauffeur schreef ik in 1989 onder de schuilnaam Johny Van Tegenbos de roman "De bochtenrijder van de opera''. De lezers dachten dat ik met de Bochtenrijder de chauffeur , mezelve dus, bedoelde. Vreemd dat niemand snapte dat het om de directeur ging.

(Lucas Vanclooster is VRT-journalist en kunstliefhebber.)

 


Reageer

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.