Een traan voor Ford - Mathijs Bijnens Auteur: Mathijs Bijnens

do 18/12/2014 - 09:47 Mathijs Bijnens Ik ben van Genk, en toen ik klein was zag je nog beweging in de schachtblokken van de mijn. Er draaiden daar grote wielen. En hoewel je het als kleine jongen niet helemaal snapt weet je: ”Daar gaan mensen naar boven of beneden, de mijn in, of uit. En ze moeten keihard werken”. Van keihard werken in de mijn is al lang geen sprake meer. En wat nu, na Ford?

Het einde van Ford Genk. Dat is vandaag. 18 december 2014. Een datum als alle andere, maar ook niet helemaal. Hij kan in het rijtje ‘data van gigantische sluitingen en massaontslagen’ waar we in Limburg een patent op lijken te hebben. Ik schrijf het meer als vaststelling dan als klaagrede.

Als kleine jongen herinner ik me ook het straatbeeld in Genk. Zowat iedereen reed met een Ford. Ofwel werkten mensen er, ofwel kenden ze iemand die er werkte, en allemaal genoten ze van de zogenaamde Fordkorting. Een andere auto kopen was simpelweg niet rationeel in de meeste gevallen. Nog op mijn netvlies gebrand: die gigantische parkings vol gloednieuwe auto’s, en de Transitbestelwagen natuurlijk ook. Tel daar nog eens de gewone parkings voor de werknemers bij, en je kon in één oogopslag wel duizenden auto’s zien.

Vandaag zijn de werknemersparkings desolaat leeg. Hier staan geen arbeiders meer aan te schuiven. En gefascineerde jongetjes van acht zullen naar Volvo in Gent moeten om iets vergelijkbaars te zien, of verder nog, naar Valencia. Dat kan ook natuurlijk.

Om maar te zeggen, Ford was er, en het leek alsof Ford er altijd zou blijven. Die illusie liep zelfs door na de aankondiging van de sluiting. Eens het sociaal plan er was werd er naarstig verder gewerkt. Tegen beter weten in misschien. Of uit gewoonte. Of puur voor de centen. Want wat zou je anders moeten?

Misschien kan een cijfer wel duidelijk maken waarover we hier praten.

14 284 000

Veertienmiljoentweehondervierentachtigduizend auto’s.

Dat hebben de mensen hier in Genk gemaakt. Tijdens het maken van die auto’s is gezweet, gevloekt, gelachen, gezeverd, nagedacht. Mensen haalden er hun fierheid uit. Nog altijd, gek genoeg. Ook als de baas hen de facto twee jaar geleden op de stoep heeft gezet.

Werknemers maken filmpjes en foto’s van hun laatste shift. De perserij, de wielen, de lege B-hal. Die laatste twee auto’s vol handtekeningen van het personeel gefilmd met een smartphone… De eigenaar van de laatste wagen mag gerust zijn, die is in orde. Daar durf ik geld op inzetten.

Aan de poort voel je vandaag de onzekerheid. De vrouw die net morgen verjaart, en koeken bij heeft. “we gaan het mooi afsluiten” zegt ze, want ze wil de collega’s nog trakteren vandaag. Anderen houden zich sterk, en zeggen dat ze er wel wat op zullen vinden. “We zullen wel zien”, dat soort uitspraken. Maar evengoed kreeg ik vandaag te horen hoe moeilijk het was de laatste dagen, en hoe moeilijk het zal zijn als ze simpelweg niet meer moeten opstaan. Die wekker die ze misschien vervloekten om 4u30, die gaan ze dan toch missen. Het ritme van een werkweek, de collega’s, de contacten, de routine en de zekerheid dat je op het einde van de dag wat gedaan hebt. Het valt allemaal weg, en de mensen die het twee jaar lang voor zich uit hebben geschoven weten het nu ook. Alles wordt anders eens je je badge aan de uitgang in de doos hebt gegooid.

"Dat was het," stond boven het filmpje op Facebook, waarin die laatste twee wagens van de band rollen. Beter kan je het einde van de fabriek niet samenvatten. De onzekerheid over de toekomst kan je ook heel kort samenvatten: "Wat nu?" Het werd gisteren al geroepen aan de poort door 250 solidaire Genkse jongeren. Na de kerstvakantie zijn we zeker vierduizend werkzoekenden rijker. Wie antwoordt er op hun vraag?
 

(Mathijs Bijnens is Limburger en volgde als VRT-journalist de sluiting van Ford Genk.)