Verkrachting telt niet, als de dader machtig is - Celia Ledoux Auteur: Celia Ledoux

do 16/10/2014 - 09:46 Celia Ledoux Meestal beleef je het vaak. Het gaat deel uitmaken van je tienertijd en eerste werkervaringen. Misschien begin je te denken dat het aan jou ligt. Wat je zeker leert, is zwijgen. Als je erover praat, ligt de bewijslast bij jou. Misschien ben je wel een hysterische vrouw. Misschien een fantaste.

Openrijten

De man was mijn mentor geweest. Ik dacht dat hij ons meenam op stages omdat ik en mijn mannelijke medestudent in zijn specialisme top waren. Hij was joviaal en behulpzaam.
Op een dag stuurde hij me een email. Ik klikte hem open en deinsde van het scherm terug. Het was niet zomaar pornografisch; woorden als “openrijten”, “verscheuren”, “dwingen”, “hard en gewelddadig” spatten van het scherm. In een reflex drukte ik op “delete”. Een paar dagen later, de schok te boven, besefte ik dat alle bewijs was gewist en het nu mijn woord tegen het zijne was. Ik zweeg.
Ik was vanaf dat moment erg bang en vermeed hem. Ik werd niet meer op stage gevraagd. Hij riep me nog één keer in zijn kantoor. Ik trilde van angst, keel droog, hart versneld. Hij liet me weten dat ik de traditionele eindejaarsspeech als studentenvoorzitter niet mocht maken. Verder deed hij alsof er niets gebeurd was.
Daar bleef het bij. Ik vermeed reünies om hem, want hij had academisch carrière gemaakt. Hoewel ik om andere redenen koos niet verder te gaan in dat vak, hielp het dat ik hem niet meer zou kruisen. Dat mijn mannelijke ex-tegenvoeter voor de premier ging werken stak even, maar ik had mijn eigen pad.

“X? Dat moet een vergissing zijn geweest”

Dit keer dacht ik erover na. Ik wou mijn medestudenten graag terugzien. Ik overlegde met mijn man en met vriendinnen. Uiteindelijk ging ik naar de reünie. Ik ging laat, zodat ik hem misschien kon vermijden. Ik ontmoette de spreekster van de dag en een vriendin van vroeger. Waarom was ik bang geweest? Toen hoorde ik mijn naam roepen. Die stem. Mijn hartslag ging in overdrive. Ik kon zien dat hij aangeschoten was. Zoals vroeger deed hij alsof er nooit iets gebeurd was. Hij kwam zeer joviaal op me af, hand uitgestoken. Alsof hij alleen goeie mentor was geweest en dat vertrouwen nooit had beschaamd. Door mijn hoofd schoot nog: Jij krijgt geen hand. Voor ik het wist kwam uit mijn mond “X. Stuur je nog steeds sordide emails naar studentes?”Hij schrok. “Ik weet niet waar je het over hebt.” “Dat is handig”, zei ik. “Ik herinner me nog elk detail.”
Achteraf vraag ik me af waar ik de durf en die reactie haalde. De adrenaline misschien.
Hij drong niet aan. Mijn medestudente lachte en zei “Zo! Waar ging dat over?”

Dat was het dan. Ze kende me nog goed, zag mijn onderdrukte emotie, manoeuvreerde me naar een bevriende prof. Ik legde de boel uit. Mijn prof zei “X? Dat moet een vergissing zijn geweest.” Dat had gekund, als er niet “Celia” maar “An” of “Jinte” in de aanspreking stond, en hij me niet zo had beschreven.
Mijn hart bedaarde heel traag. Ik voelde me zò groot. En ik voelde me dom.

De dadertjes mogen blijven

Het blijft nog steeds malen. Hoe had ik het beter aangepakt? Want het lijkt een fout.
Ik kon niet zijn hand schudden en doen alsof die man ok was. Toch? Ik kon hem er ook niet mee laten wegkomen. Toch? Misschien deed hij het nog. Of was zwijgen slimmer geweest? Hij zou er geen stigma aan overhouden. Ik misschien wel. Zo gaat dat toch? Mijn gedachten beten zichzelf in de staart. Ik wist het niet meer.

Wat ik wel weet is dat bijna elke vrouw dit beleeft – of veel erger. Wij delen dit soort verhalen in beperkte kring.
Een senior collega, die een vriendin een promotie had beloofd, benaderde haar. Ze wimpelde zijn avances diplomatisch, joviaal en “even goeie vrienden” af. Een paar dagen nadien saboteerde hij haar promotie en stond ze op straat. Toeval. Vast.
Op een vakantiejob kreeg een vriendin ooit de dagelijkse porno van de afdeling in handen geduwd. Ze bedankte er rustig en duidelijk voor. Ze bleven het op haar bureau leggen. De vriendin stapte naar HR voor een diplomatische oplossing. Ze werd betaald naar huis gestuurd, en vond dat als student een goeie regeling. “Maar later besefte ik:”, zei ze, “die dadertjes mochten wel blijven.”
Een oudere prof nodigde me uit, want dat was “goed voor mijn carrière”. Ik ging mee en schudde handjes met vrijwel het hele toenmalige kabinet, al namen die ministers me misprijzend op in mijn professionele pakje. Nadien probeerde de prof me aan de deur te kussen. “Maar meneer Y, wat doet u nu?!” riep ik als een mislukte Julie Andrews. “Komààn zeg, dat hoort er toch bij!”, zei hij. Ik spelbreekster. Vanaf dat moment gaf hij me steevast magere elfjes, onder andere op mijn thesis. Ik rapporteerde niets. Ik was immers meegegaan. Wist ik veel, misschien hoorde het er écht wel bij en had ik als enige de memo niet gekregen?
Een kennis was zo platzak dat ze polste om bij een sekstelefoon te werken. Op van de zenuwen kon ze nog afweren dat de man naaktfoto's nam, maar hij verkrachtte haar wel. Ze deed geen aangifte. “Het was echt verkrachting. Maar zouden ze dat geloven?”, vroeg ze. Ik zag haar punt.
De baas op mijn vakantiejob klapte zijn portier open met een enorme ”kom bij papa”-grijns. Ik schrok en bedankte beleefd. Ik was zestien. Ik excuseerde hem in gedachten, ik zag er wat ouder uit. Later bedacht ik: hij had mijn contract opgemaakt en kende mijn leeftijd. De week nadien was ik niet meer nodig.

Ik kan pagina's met dit soort verhalen voltypen, maar dan wordt mijn stuk zo lang. Ik kan er nog nog ergere typen, maar dan beschaam ik het vertrouwen van veel vrouwen.

Zonder stevig bewijs acht de publieke opinie jou schuldig

Platitudes zoals “waar eindigt verleiding en begint aanranding?” geven hierbij geen pas. Als er een diffuse grens is, zitten we hier al ver in het rood.
Maar verkrachting en seksuele intimidatie worden zelden gemeld. Vrouwen vertrouwen het mekaar wel eens toe, maar gaan haast nooit publiek.
Dat moet een instinctieve daad zijn. Van alle aangiftes wordt seksueel misbruik het vaakst betwijfeld. Waarom was je zo gekleed, was je niet gewoon dronken en nu beschaamd om je keuze, waarom liet je hem dan binnen, je had kunnen schreeuwen, wil je niet gewoon wraak nemen? In publieke groepsverkrachtingen werden slachtoffers van India tot de VS bij momenten als slet afgeschilderd, zelfs met gefilmd bewijs, rechtsgang, veroordeling.
Ik weet niet of de geruststelling van het gelijk hen nadien gekoesterd doet voelen. De boodschap aan vrouwen is duidelijk: bewijslast en schuld liggen bij jou, en die zijn maar beter heel eenduidig en stevig. Of de publieke opinie maakt jou tot schuldige.

Het gebeurt zo vaak. Overvloedig, voortdurend. Het gebeurt bijna iedereen en velen overkomt het herhaaldelijk tot vaak.
Vermoedt u ook dat zij er dan om vragen, of iets fout doen? Of (onder)vinden zoveel mannen gewoon dat het straffeloos kan?

Studentes praten wél

Op één “praktischer” gebied, dichter bij huis dan de groepsverkrachtingen, wordt seksuele agressie wel besproken: de universiteitsarena. Studentencantussen die over date rape zingen, sportshirts met “No means yes, yes means anal”, ontgroeningen die op aanranding of verkrachting uitlopen.
De tegenbeweging maakt zich sterk. Iconisch is Emma Sulkowicz' project aan Columbia, waarbij ze haar matras op campus rondsleept, een visuele aankacht dat de universiteit besluit niet of nauwelijks in te grijpen bij verkrachtingsaanklachten – ook in haar geval. Andere studentes hielpen het matras al dragen en steunende protestacties werden opgezet. Het studentenmagazine VETO sloeg in de laatste editie mea culpa voor eerder feministenbashen en bracht artikels over seksisme aan de KUL, van sociologe Sarah Bracke Grieders “buis” voor genderonderzoek door blanke, oudere mannen, waarna ze in Harvard probleemloos aan de slag kon, tot een studente die vertelt hoe ze (ook) door vrouwen werd uitgelachen toen ze in haar slip werd gegrepen op straat en zich verzette.

Het is goed, maar is het slim?

Na de reünie zat ik met mijn medestudente op een terras. “Was het niet dom,” vroeg ik, “om dat te zeggen?” “Het kwam vanzelf”, verdedigde ik me nog. “Het was er goed aan te zien dat hij het wél gedaan had, dat is zeker”, zei ze. Ik smolt van opluchting dat ze me niet van mythomanie verdacht. “Ik denk toch dat het dom was. Die vragen me nooit als spreker of gastdocent.”
“Wel”, zei ze laconiek, “slim was het wellicht niet. Maar het was wel goed.”
Toch dacht ik: “goed”, daar ben ik vet mee.
Nog steeds weet ik het niet. Discrete, gemene wraak? Oog om oog maakt de wereld blind. Verzwijgen? Staat zijn gedrag oogluikend toe.

Straatagressie is eenduidig. “Sociale” verkrachting komt vaker voor.

Later die week vermeldde iemand dat een “Marokkaantje” was veroordeeld omdat hij haar agressieve vuiligheid had nageroepen. Over “Femme de la Rue” zijn we het roerend eens. Nu: straatagressie kàn je heel heftig schaden. Als jong afgestudeerd alleenwonende vocht ik eens rond tweeën een verkrachter af aan mijn deur. De man had me iets heel vies nageroepen. Het vloeide van me af als van een eend; ik was nuchter, maar misschien een beetje dronken op dat heerlijk zomeravondgevoel en had jolig en zonder omkijken mijn middenvinger opgestoken. Hij was me gevolgd, had de deur net toen ik ze zachtjes wilde sluiten opengesmakt en me op de trap proberen te verkrachten. Ik had hem afgevochten en had hard gegild, maar was wel in mekaar geslagen.
Ik voelde me nadien niet opgelucht of krachtig, het “geluk bij een ongeluk” voelde als toeval. Dagen durfde ik niet buiten te komen, maanden was ik bang.
Maar weet je, ik draag dat minder mee dan die stomme email van iemand die ik had vertrouwd. Het was zo eenduidig. Ik heb het nooit hoeven te verbergen. Niemand heeft ooit gedacht dat ik dat “zocht”, me “vergiste” over de dader of het verzon. De blauwe plekken en schaafwonden spraken bij de politie boekdelen. Ik had hoogstens een “loop zo laat niet buiten” gekregen, en de oneerlijkheid van dat argument is makkelijk in te zien.
Iedereen veroordeelt straatagressie, maar statistisch komen seksuele agressie en verkrachting door familie, naasten, kennissen véél vaker voor.

Je baas of je vriend, die randt toch niemand aan?

Als slachtoffer in “nabije”, sociaal hoger geachte seksuele wandaden, aanrandingen of verkrachtingen, sta je er ondanks die frequentie een stuk slechter voor. De vermeende dader is immers sociaal aangepast. Hij is je goedgeklede baas, je gezinsman van een oom, de collega die je koffie brengt, de buur die praatjes slaat. Hij is een geacht of bemind deel van je sociaal weefsel. Hoe kan hij dit hebben gedaan?
Als je je mond opendoet, komt het stigma vaak op jouw kop terecht, word je weggerangeerd of uitgestoten. De factor die kan worden weggewuifd, ben je namelijk zelf. Zonder jou kan iedereen doen alsof de status quo ongeschonden is en de omgeving veilig en normaal.

Ik weiger nog te zwijgen.

Natuurlijk zijn “nietallemannen” hieraan schuldig. Dat beweer ik nergens. Ik zie zoveel beminnelijke mannen in mijn omgeving daar heus niet toe in staat.

Maar dat “nietallemannen” dit doen, maakt eigenlijk niet uit. Het gebeurt. Het gebeurt vaak. Het is bijna een gebruikelijke gang van zaken.
En veel vrouwen besluiten nog steeds dat het slimmer is om te zwijgen, of weten niet wat anders doen. De veroordeling is voor hen.

Enerzijds weiger ik te zwijgen. Ik wil niet zomaar slachtoffer zijn. Maar wat ben je dan?
Met andere woorden: hoe kan dit verhaal goed eindigen?

Ik breek me nog steeds het hoofd.
Want voorbeelden van een fatsoenlijk einde zie ik vrijwel nooit.
En voorlopig weet ik nog steeds niet wat ik had kunnen zeggen. Wat ik had moeten doen.

(Celia Ledoux is schrijver en columnist.)