1981 was een vreemde tijd om op de nieuwsdienst van de toenmalige BRT te komen werken. Bij televisie had een hele generatie ‘jonge’ journalisten een plek veroverd en haar stempel gezet. De befaamde ontzuilde, niet partijgebonden generatie journalisten die door wijlen bestuursdirecteur Karel Hemmerechts, en nog hogerop, door administrateur-generaal Paul Vandenbussche, met veel moeite in toom werd gehouden.
Bij de radio was dat anders. Daar zette de oudere generatie nog de lijnen uit: Miel Dekeyser, Roger Adams, Guido Knapen, Urbaan De Becker,... De enige echte nieuwlichter en dwarsligger op de radionieuwsdienst was Dany Huwé , aan wiens talent ik tot aan het eind van mijn dagen schatplichtig zal blijven.
Daar tussenin zweefde Johan Janssens: selfmade man, open voor vernieuwing, maar toch voorzichtig genoeg om niemand tegen de borst te stuiten. En hij droeg een CVP-stempel, wat voor de (toen) jongere generatie – en dus ook voor mij – een soort brandmerk was. Dat werkte toen nog zo: wie wilde bevorderd worden, redactiesecretaris worden, of nog verder opklimmen in de hiërarchie, moest letterlijk kleur bekennen.
Wat niet belette dat Johan Janssens net zo’n hekel had aan partijcommuniqués als ik. Die communiqués moesten in een apart bakje op de redactie gelegd worden, zodat later kon gecontroleerd worden wat (en of) de nieuwsdienst ermee had aangevangen.
"Haal daar twee zinnetjes uit, dan zijn we er vanaf"
Maar als iets in één zin kon gezegd worden, en met weinig woorden, was het nog beter, vond Johan Janssens. Dat leerde je bij hem, het overtollige schrappen.
Johan Janssens was een meester in de improvisatie. De eindredacteur en de journalist lazen toen – in de jaren 80 - nog samen de nieuwsberichten voor. De eindredacteur las de kop, de journalist de staart. Johan Janssens volgde nooit, maar dan ook nooit de volgorde die hij zelf had vastgelegd. Hij korte ter plaatse in, schrapte berichten, legde nieuwe en onverwachte accenten. En de arme redacteur die naast hem zat moest dat allemaal proberen te begrijpen en te volgen aan de hand van de mimiek en de gebarentaal van Johan Janssens. Want dat had hij: de gave om met zijn handen te spreken. Maar toch kwamen er in menig radiobulletin lange stiltes voor, geritsel van papieren en aarzelingen in de stem.
Misschien nog legendarischer dan dat improvisatietalent was zijn totale onbenul als het over sport ging. Dan was het alsof hij hiërogliefen moest voorlezen, en het klonk ook zo. Namen van vedetten en hun sport werden consequent fout uitgesproken. Het was een tijdlang een sport om opzettelijk fouten in sportberichten te smokkelen. Maar het grappige was er gauw af, want Johan Janssens las voor wat er stond. Altijd. Ook als bij een zwemrecord werd vermeld dat het in het water was gevestigd.
Johan Janssens was (is) een aangenaam man, met hobby’s die fascinaties konden worden: de Amerikaanse politiek, de wereldoorlog, zijn motor. Hij was ongelooflijk ‘belezen’, had alles gelezen wat in de Angelsaksische literatuur van belang was. Hij bestelde boeken in Amerika en zette er zijn persoonlijk waarmerk in. Daar had hij een machientje voor gekocht. De dag dat hij van lange op korte broek overschakelde heb ik gemist, ik was toen al lang niet meer bij de radio.
Ook de dag dat hij eindredacteur àf was heb ik gemist. Plots was hij enkel nog ‘presentator’. Een vreemde career move, of toch weer niet, want misschien had en heeft hij andere opvattingen over wat nieuws hoort te zijn.
In ieder geval was hij, en niet de televisie, de pionier van de misdaad- en justitieverslaggeving. Ooit liet hij mij een hele dag en avond in het Pajottenland rondtoeren (in een VRT-auto met chauffeur, toen nog een rariteit voor de radio!), waar een jonge man, een mislukte coureur, 7 of 8 mensen had vermoord. En de kettinghond had doodgeschoten, nu hij toch bezig was.
Tussen twee bulletins door naar tentoonstelling
De passie voor motoren, met overigens enige pijnlijke tuimelpertes tot gevolg, brengt mij bij een anekdote die mij altijd zal bijblijven. Op een zondag, way back in time, was ik van dienst , samen met Jef Lambrecht en Johan Janssens. Ik was nieuw, ‘ik liep nog dubbel’ , zoals dat toen heette. Zondagen waren rustige dagen: om drie en vier uur ‘s middags was er geen bulletin. En dus besloten Johan Janssens en Jef Lambrecht een interessante tentoonstelling In Leuven met een bezoek te vereren. Jef in zijn roestbak, Johan op de moto. Hij nam en passant de infosecretaresse mee achterop, want die was ook in die tentoonstelling geïnteresseerd.
Ik bleef verweesd en angstig achter, met de hele radionieuwsdienst onder mijn hoede. De tijd verstreek. Het werd drie uur, het werd vier uur, het werd half vijf. Nog steeds was ik alleen. In paniek begon ik wat berichten in elkaar te knutselen. Er was er zeker een over de Tamiltijgers bij, dat was een vaste stoplap toen. Om kwart voor vijf kwamen Jef, Johan en Marleen welgemutst de redactie binnenwaaien. Om vijf uur was er een radiobulletin. Of er iemand wijzer mee geworden is, durf ik te betwijfelen. Maar zoals Johan Janssens zegde, was dàt er een bulletin was belangrijker en geruststellender voor de luisteraar dan de inhoud ervan.
Louis van Dievel
Louis van Dievel




