Duitse bouwwoede aan het front Auteur: Jan Vancoillie

za 09/07/2016 - 08:18 Jan Vancoillie De Eerste Wereldoorlog was de eerste geïndustrialiseerde oorlog. Dat blijkt niet alleen uit het gebruikte wapentuig, maar zeker ook uit de bouwwerken, waarvan één en ander tot op vandaag nog zichtbaar is in het landschap. Vooral de Duitse bouwwoede is legendarisch. De Duitse verdedigingslinies in ons land werden de sterkste en meest complexe van Europa.

Van zodra de bewegingsoorlog vastloopt, graven beide legers zich in. Aanvankelijk wordt er één ondiepe, slecht uitgebouwde gevechtsloopgraaf uitgegraven, maar gaandeweg ontstaat een loopgravensysteem met meerdere lijnen ("Stellungen"), die elk bestaan uit verschillende loopgraaflinies ("Linien").

Tussenin lopen verbindingsloopgraven die zo veel mogelijk bescherming moeten bieden voor de aflossingen, en aanvoer en afvoer van materiaal en manschappen. Vooral de hoge grondwaterstand in Vlaanderen baart de Duitsers grote zorgen.

De ontelbare kilometers loopgraven worden gaandeweg voorzien van afwatering en tegen instortende zijwanden worden matten met houten vlechtwerk bevestigd.

Deze matten worden vaak achter het front gemaakt door Belgische burgers die daarvoor opgeëist worden. Tegen 1916 hebben de Duitsers hun bouwtechnieken geperfectioneerd.

Duitse loopgraaf aan het Ieperfront omstreeks 1915. De zandzakken zijn gemaakt uit alle soorten veelkleurige stoffen (foto MMP 1917).

Frontfoto: Duitse bunker op Tyne Cot Cemetery (Passendale). Deze bunker maakte deel uit van de Flandern-I-Stellung tussen eind 1916 en midden 1917 (foto Kristof Blieck).

Voor de verschillende gevechtsloopgraven worden prikkeldraadversperringen gebouwd, vele meters breed.

Er worden hiervoor ook vooraf gebouwde elementen gebruikt zoals Friese ruiters en prikkeldraadrollen die zoals een harmonica uit elkaar getrokken kunnen worden.

De prikkeldraadversperringen voor de tweede en derde lijnen kunnen zelfs elektrisch geladen worden.

Men schat het totale Duitse gebruik van prikkeldraad tijdens de hele oorlog op zeker 600.000 ton. Dat is genoeg om het hele toenmalige Duitse rijk te omringen met een prikkeldraadversperring van 65 meter breed. 

Duitse militairen voor hun "Genter Baracke" aan het Ieperfront (foto Jan Vancoillie)

Om de vele manschappen die loopgraven bemannen onder te brengen, naast degene die hen van munitie, proviand en bouwmateriaal moeten voorzien, maar ook zij die alles moeten bouwen, moeten vele onderkomens worden gebouwd.

Voor de oorlog bestonden al barakken die snel samengebouwd konden worden met prefab elementen, de bekendste waren de zogenaamde "Döckersche Baracken".

Het 4. Armee in Vlaanderen ontwikkelt al vlug een eigen snel te bouwen barak met vooraf gemaakte elementen. Deze barak wordt bekend onder de benaming "Genter Baracke", omdat de dienst die de barak ontwikkelt en later verspreidt, vanuit Gent werkt.

Belgische arbeiders aan het Ieperfront. Burgers van alle leeftijden werden door de Duitsers ingezet voor de meest uiteenlopende werkzaamheden, ook voor het bouwen van betonbunkers en prikkeldraadversperringen (foto Jan Vancoillie)

Tegen april 1917 zijn 25.000 dergelijke onderkomens uitgeleverd en gebouwd langs het hele Duitse westfront.

20.000 dienen als onderkomens voor personen (militairen, maar ook krijgsgevangenen en burgers die in dienst van het Duitse leger werken), 5.000 dienen als paardenstallen.

In totaal kunnen zo in principe 1.000.000 personen en 200.000 paarden in Genter Baracken ondergebracht worden. 78 Belgische bedrijven in het Gentse met 8.675 Belgische arbeiders leveren de elementen.

Tegen de zomer van 1918 zijn ongeveer 50.000 dergelijke barakken in gebruik.

Duitse bunker in Bayernwald (Wijtschate), gebouwd met betonblokken. Deze bunker bevond zich in de toenmalige frontlijn (foto Jan Vancoillie)

De Duitse bouwinspanningen komen evenwel het meest tot uiting in de enorme hoeveelheden bunkers in gewapend beton die vanaf 1915 tot in 1918 gebouwd worden.

Een officiële telling van het aantal bunkers komt eind 1916 op 4.465 betonconstructies van de Noordzee tot aan de Leie. Daarbij moet de bedenking worden gemaakt dat op dat moment de grote bouwactiviteit nog moet beginnen. Naar schatting zijn er in totaal meer dan 10.000 gebouwd.

Om de bouw te versnellen en om bunkers te kunnen bouwen aan het front, waar de werkzaamheden gemakkelijk verstoord kunnen worden, ontwikkelen de Duitsers betonstenen, waarmee gemetseld kan worden.

Deze bouwwijze zorgt wel voor minder stevige bunkers dan wanneer men de hele constructie met stortbeton bouwt (als monoliet), maar de methode blijft tot diep in 1917 erg populair, niettegenstaande het bouwen met betonstenen eerst ontmoedigd en vanaf het voorjaar van 1917 uitdrukkelijk verboden wordt.

Duitse, betonnen bunker, een mitrailleurspost, tussen Houthulst en Lizerne ( foto Albums Valois, BDIC)

Bunkers, gebouwd met stortbeton, hebben aanvankelijk een slechte reputatie, deels door het succes van de Duitse artillerie tegen de forten in België en Frankrijk, maar ook omwille van de aanvankelijk primitieve bouwtechnieken.

Vanaf eind 1916 zorgt de technische vooruitgang op gebied van gewapend beton ervoor dat de monolietbunkers zelfs bestand zijn tegen voltreffers van groot kaliber.

Het aantal bunkertypes is niet te tellen. Aanvankelijk bouwt iedere eenheid zijn eigen bunkers naargelang de omstandigheden en volgens eigen inzichten.

Pas eind 1916 begint men schoorvoetend een aantal standaardtypes te introduceren, zonder deze expliciet op te leggen.

Het is pas in november 1917 dat er voor het eerst een standaardbunker ("Einheitsunterstand") uitgetekend wordt, waarmee alle andere types in principe afgeschaft worden.

"Einheitsunterstand", gebouwd in de Flandern-III-Stellung bij Ledegem eind 1917 (foto Kristof Blieck)

De bunkers worden gebouwd in en zelfs tussen de verschillende verdedigingslijnen in.

Achter de frontlijn liggen de Albrecht-Stellung (genoemd naar Hertog Albrecht von Württemberg, bevelhebber van het 4. Armee), de Wilhelm-Stellung (genoemd naar de Duitse Keizer Wilhelm II.) en nog verder de Flandern-Stellungen, waarvan er op een gegeven ogenblik vijf gepland zijn.

Uittreksel uit een Duitse stafkaart met daarop in het blauw de Duitse frontlijn, Albrecht-Stellung en Wilhelm-Stellung eind 1916, in het rood de "vijandelijke linies" (MMP 1917)

De bouwers van deze bunkers zijn heel divers en afhankelijk van de nabijheid van het front.

In en dicht bij de frontlijn worden de constructies vooral door genietroepen en gevechtseenheden gebouwd. Iets verder van het front zijn speciale bouweenheden (Armierungstruppen) actief.

Zij gebruiken krijgsgevangenen (aanvankelijk Russen, later vooral Italianen) en burgerarbeiders als werkkrachten.

Deze burgers komen aanvankelijk uit het Operationsgebiet, een zone in bezet Vlaanderen dicht achter het front, maar later ook uit het Etappengebiet en zelfs het General-Gouvernement. Deze burgers worden door de Duitsers als vrijwillige arbeiders aangeworven.

Volgens het geldende oorlogsrecht mogen dwangarbeiders niet in de oorlogsindustrie en bouw van verdedigingswerken ingezet worden, dus proberen de Duitsers met een grote premie bij het tekenen van een contract en een uitstekend dagloon, Belgen te overhalen om voor hen te werken.

Vele duizenden Belgen gaan in op deze voorwaarden, al dan niet onder lichte dwang. De werkijver van deze Belgische arbeiders is wel eerder beperkt en kleine sabotage-acties zijn omvangrijk.

Affiche waarmee de Duitse legeroverheid probeerde om burgers te overtuigen voor hen te werken achter het Ieperfront. Het loon lag een stuk hoger dan wat men normaal kon verdienen

Om de enorme bouwwoede te kunnen stillen, zijn er gigantische hoeveelheden bouwmaterialen nodig, die van heinde en verre aangevoerd worden.

De materialen worden met het spoor of het water (om de spoorwegen te ontlasten) naar depots achter het front vervoerd. Van hieruit wordt alles met smalspoor en wagens tot dicht bij het front getransporteerd. Het laatste stuk van de weg gebeurt met man of paardenkracht.

Om dit mogelijk te maken, wordt het bestaande spoorwegnet sterk uitgebouwd en honderden kilometers smalspoor aangelegd.

Tijdens de 3e Slag bij Ieper groeit het 4e Duitse Leger in België uit tot 800.000 manschappen en 200.000 paarden. Van 15 juni tot 15 november 1917 alleen al, voert het 242.185 treinwagons aan met manschappen, munitie, bouwmaterialen, voedsel, ..... Een gigantische onderneming!

Van de Duitse bunkers blijven vandaag maar enkele tientallen over, en spijtig genoeg verdwijnt ook nu nog af en toe een van deze stille laatste getuigen.

Zicht op de binnenhaven van Menen aan de Leie tijdens de oorlog. De Duitsers maakten ook massaal gebruik van de Belgische binnenwateren om bouwmateriaal aan te voeren (foto Jan Vancoillie)

Jan Vancoillie is samen met Kristof Blieck auteur van het boek "Bouwen aan het front. Loopgraven, schuilplaatsen en betonbunkers van het Duitse leger aan het Ieperfront 1914-1918", uitgegeven door het Memorial Museum Passchendaele 1917 te Zonnebeke.

In het Memorial Museum Passchendaele 1917 te Zonnebeke loopt nog tot midden november gratis een tijdelijke tentoonstelling over dit onderwerp.

Logo van een Antwerpse cementfabriek. Deze fabriek was door de Duitsers ingenomen en produceerde tijdens de oorlog voort. Het cement werd onder meer gebruikt voor de bouw van betonbunkers.

Een vaak gehoorde mythe is dat het door de Duitsers gebruikte cement via Nederland uit Groot-Brittannië kwam. Dit klopt niet, de Duitse cementfabrieken produceerden voldoende Portlandcement (zo genoemd, omdat het eindresultaat lijkt op Portlandsteen) om aan de vraag te voldoen.

Door de Fransen in 1917 veroverde Duitse betonnen schuilplaats in de omgeving van Boezinge.

Het beton en de stenen zijn aangebracht bovenop geprefabriceerde golfplaatelementen. Bovenop enkele spoorwegrails die de constructie moesten verstevigen (foto Albums Valois, BDIC).