Een ongelukkige nasleep van de Grote Oorlog, de Rijnbezetting Auteur: Charlotte Vekemans

do 18/02/2016 - 21:51 Charlotte Vekemans Na de wapenstilstand van 11-11-1918 begonnen de Geallieerden met de bezetting van de linker Rijnoever in Duitsland. Het kleine België stond daar afkerig tegenover, maar voelde zich verplicht om mee te doen, uit angst voor omsingeling door Frankrijk. De bezetting werd voor alle partijen een pijnlijke ervaring.

De ‘Scriptieprijs 100 Jaar Groote Oorlog’ is een initiatief van Scriptie vzw en het Departement Internationaal Vlaanderen.

Met deze prijs willen zij kwalitatieve bachelor- en masterproeven over Wereldoorlog I stimuleren én in kaart brengen. Er waren 37 inzendingen, wat bewijst dat de herdenking van 100 jaar Grote Oorlog ook het onderzoek heeft gestimuleerd.

Charlotte Vekemans is de derde laureaat van de ‘Scriptieprijs’. Met haar scriptie « De Rijnbezetting door de Belgische troepen.De verhoudingen tussen bezetter & bevolking (1918-1923)", werd zij vorig jaar Master in de Geschiedenis aan de KU Leuven.

Een wespennest

Vanaf de wapenstilstand op 11 november 1918 bezetten Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten en België het gebied aan de linker Rijnoever ( de Amerikanen zouden zich al in 1919 terugtrekken).

België voelde zich verplicht mee te stappen in deze bezetting, hoewel ze niet werd betrokken in de wapenstilstandsonderhandelingen en eigenlijk afkerig stond ten opzichte van een langdurige bezetting.

Het kleine landje vreesde de omsingeling door Frankrijk, dat Luxemburg al volledig onder haar invloed had geplaatst. Als Frankrijk ook nog eens het aan België grenzende Rijngebied zou beheersen, zou België omsloten worden door een land dat al verschillende keren op haar grondgebied had geaasd.

De heilige schrik voor zo’n omsingeling zou tijdens de hele bezetting, die pas in 1929 werd beëindigd, door de hoofden van de Belgische staatsmannen spoken. De enige uitweg die de regering en legerleiding zagen was om mee het Rijngebied te bezetten en zo op de hoogte te blijven van de plannen van de geallieerden.

Belgische wachtpost in Emmerich ( collectie KLM)

Tijdens de bezetting werd het hoofdkantoor van de bezetters, de Haute Commission Interalliée des Territoires Rhénans, het schouwtoneel van het Europese machtsspel. 

‘Brave Little Belgium’ besefte te laat in wat voor een wespennest het zichzelf had gestort. Na de oorlog hadden de Belgen gehoopt op een plaats tussen de grootmachten. Een plaats die ze naar eigen mening hadden verdiend door de geleverde oorlogsinspanningen.

De eerste Belgische stappen in de Europese politiek werden echter op hoongelach onthaald door de geallieerden. De Belgen, die hun neutraliteit nog maar net hadden afgeschud, werden door de hen al snel ingedeeld bij de kleine landjes.

België besefte al snel dat één gewonnen oorlog haar geen grootmacht maakte. Ze koos dan voor een bemiddelaarsrol, wat helaas ook niet van een leien dakje zou lopen.

Belgische militairen controleren de passagiers van een tram in Düsseldorf ( collectie KLM)

Tijd voor revanche

Naast de enorme politieke problemen, werd België ook nog eens geconfronteerd met de dagdagelijkse problemen die een bezetting met zich meebracht.

Na Frankrijk leverde het kleine landje het grootste aantal manschappen voor de bezetting (zo'n 20.000). Al snel bleek dat de oorlog nog net iets te vers in het geheugen van de soldaten zat.

Pesterijen en vernederingen werden dagelijkse kost voor de Duitse bevolking, die daarnaast door de geëiste herstelbetalingen ook nog eens in diepe economische miserie zat. De Duitsers moesten alle Belgische officieren groeten, voor hen aan de kant gaan op straat en hun hoed afnemen.

“Hut Ab!” werd een standaardgroet van de Belgen, die er plezier in vonden de Duitsers verder te vernederen. Wanneer de Duitser in kwestie weigerde zijn hoed af te nemen, sloegen de Belgen de hoed van hun hoofd.

De legerleiding berichtte meermaals aan Brussel dat de officieren de bezetting zagen als een voortzetting van de oorlog waarin ze wraak konden nemen op de Duitsers.

Anti-Belgische spotprent uit het Duitse satirische tijdschrift Simplicissimus met als onderschrift: "Soldaat Maurice is depressief. Hij is al twee maanden hier en heeft nog geen vrouw kunnen verkrachten of een Boche kunnen dood schieten".

Vanuit Brussel waren de orders steevast dezelfde: het Belgisch leger moest een goede verhouding tot stand brengen met de bevolking, in het kader van toekomstige economische samenwerking.

Ondanks de verschillende orders die vanuit Brussel naar het Rijngebied vertrokken, bleef de legerleiding met problemen kampen. Naast de pesterijen zorgde de verveling bij de troepen helaas al snel voor een welig tierende prostitutie en drugstrafiek.

Dit laatste probleem strekte zich zelfs helemaal tot de haven van Antwerpen waar de Amerikaanse soldaten een profijtelijke handel hadden opgezet in cocaïne. Belgische soldaten smokkelden het goedje naar Duitsland.

Bovendien waren veel Belgische soldaten ingekwartierd bij Duitse gezinnen, wat tot veel conflicten leidde. Burgers klaagden over prostituees die het huis betraden, hoge elektriciteits- en gasrekeningen en zelfs mishandelde huisdieren.

 

Belgische officieren omringd door Duitse kinderen, die aanschuiven voor een melkbedeling ( collectie KLM)

In een aantal gevallen liepen de spanningen zo hoog op dat er doden vielen aan beide zijden. Vooral toen de Fransen, opnieuw gevolgd door de Belgen, de bezetting in 1923 uitbreidden naar het Roergebied, om de betaling van Duitse herstelvergoedingen af te dwingen. 

Op 30 juni 1923 werd er een bomaanslag gepleegd op een trein die Belgische militairen vervoerde. Tien Belgische soldaten kwamen om het leven.

Aan de Duitse zijde waren de slachtoffers meestal burgers die in aanvaring waren gekomen met de Belgen. Het precieze aantal slachtoffers van de bezetting is niet geweten.

Slachtoffers van de bomaanslag op de trein van 30-06-1923 (collectie KLM)

Tussen twee vuren

In sommige districten waren de relaties tussen bevolking en bezetters een stuk beter, zoals in Krefeld. Daar zaten de officieren met de handen in het haar omdat bezetter en bevolking elkaar zo leuk vonden dat ze regelmatig met elkaar op café of in bed belanden.

Verschillende keren werd er aan de militaire leiding gemeld dat de Belgen gezellig stonden te keuvelen met de Duitse bevolking tijdens hun dienst. Dat was natuurlijk ook weer niet de bedoeling.

Lokaal twijfelden de officieren tussen een strikt militair bewind en een vriendelijke behandeling van de bezette bevolking. Op internationaal niveau brachten de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog het kleine België middenin een stormachtige Europese strijd.

Binnen deze storm balanceerden de Belgen op een slap koord tussen hun droom om als grootmacht te worden geaccepteerd en hun angst verzeild te raken in een politiek conflict dat hen opnieuw in een Groote Oorlog zou storten.

Voor veel Belgen en Duitsers, bleek de Eerste Wereldoorlog nog tot ver na 1918 een schaduw te werpen op hun relaties en dagdagelijks leven.

Belgische pantserwagens en militairen in een Duits stadje

Toen de Fransen en de Belgen ook het Roergebied gingen bezetten, bood de bevolking verzet en ging in staking. Eind maart schoten Franse soldaten bij de Krupp-fabriek in Essen 11 arbeiders neer, dit is een foto van hun begrafenis ( Bundesarchiv Bild).

Anti-Franse spotprent uit het Duitse satirische tijdschrift Simplicissimus met als onderschrift:"Er mogen er nog veel verhongeren voor ik er genoeg van heb". De prent heeft ook een duidelijk racistische toon, al tijdens de oorlog hadden de Duitsers verontwaardigd gereageerd op het inzetten van koloniale troepen door de Fransen en Britten, die ze al een belediging beschouwden.