Sainte-Adresse, onze tijdelijke hoofdstad Auteur: Tim Trachet

do 19/02/2015 - 17:14 Tim Trachet De Franse badplaats Sainte-Adresse ligt aan het uiterste punt van de monding van de Seine, vlak bij de grote havenstad Le Havre. Hoewel op meer dan 300 km van de Belgische grens, was ze gedurende vrijwel de hele oorlog de zetel van de Belgische regering.

Na de val van Antwerpen (begin oktober 1914) werd Oostende heel even regeringszetel, maar er moest al meteen naar een nieuwe uitwijkplaats worden gekeken. Omdat de kans groot was dat het hele leger zich tot in Frankrijk zou terugtrekken, werd besloten om nabij Le Havre een onderkomen te vinden. Enkele ministers hadden naar Londen willen uitwijken.

Op 11 oktober liet Frankrijk weten dat de Belgische regering er welkom was. Twee dagen later namen de meeste ministers vanuit Oostende de boot naar Le Havre. De koning bleef bij zijn leger om slag te leveren op het laatste stukje Belgisch grondgebied. Op 17 oktober werd er voor het eerst een nummer van het Belgisch Staatsblad gedrukt. Het zou er vier jaar verschijnen.

Het Belgisch leger hield uiteindelijk stand achter de IJzer, maar de regering bleef in Frankrijk. Het stuk onbezette België was immers bijzonder klein – nog geen duizend km² – en zowat de helft daarvan lag vlak bij het front. In de stadjes en dorpen die niet meteen onder vuur lagen, was er geen geschikte ruimte voor de ministers, hun medewerkers en ambtenaren, laat staan voor de vele anderen die hen vergezelden, zoals de buitenlandse diplomaten.

Heel wat Belgische legerkampen, opleidingscentra, hospitalen en werkplaatsen bevonden zich over de grens, in Frans-Vlaanderen of verder. En dan waren er de vele vluchtelingen die de grens waren overgestoken. In totaal verbleven er zo’n 300.000 Belgen in Frankrijk, veel meer dan het aantal mensen in het onbezette België. Nogal wat van die vluchtelingen waren gehuisvest in Normandië. Alleen al in het arrondissement Le Havre waren er 22.000.

Luxeverblijf

Sainte-Adresse was in het begin van de eeuw uitgegroeid tot een geliefd vakantieoord van rijke burgers en kunstenaars. De actrice Sarah Bernhardt bezat er een villa en Claude Monet vereeuwigde de omgeving op talrijke schilderijen. Een projectontwikkelaar legde er een mondaine wijk aan die hij "Nice-Havrais" (het Nice van Le Havre) doopte. De villa’s en luxehotels aldaar stonden door de oorlog grotendeels leeg. Voldoende plaats om al die notabelen en administraties in onder te brengen.

Het ministerie van Oorlog nam zijn intrek in de Villa Louis XVI. Buitenlandse Zaken betrok de Villa Hollandaise. Koloniën moest genoegen nemen met een winkel van beddengoed. De meeste ministeries zaten in het enorme hotel Nice-Havrais. Sommige ambtenaren van Justitie moest een badkamer als bureau gebruiken.

De meeste regeringsdiensten waren over de badplaats verspreid, sommige ook in Le Havre. De buitenlandse diplomaten verbleven in het Palais des Regattes, waar ze samen dineerden in de prachtige eetzaal met zicht op zee.

Ze zaten wel aan twee verschillende tafels: een voor de gezanten van de geallieerden en een voor die van de neutrale landen. Hun aanwezigheid was belangrijk voor de internationale contacten die de regering voortdurend moest onderhouden.

Sainte-Adresse en het naburige Le Havre werden ook de zetel van allerlei diensten die hulp boden aan het leger en de vluchtelingen. Er waren garages en ateliers, een ziekenhuis en een school. In de buurt lagen een paar Belgische legerkampen. In 1917 verbleven er liefst 17.000 Belgische militairen, met 4.000 vrouwen en kinderen.

Ook particuliere Belgische organisaties vestigden er zich. Zo verscheen de katholieke krant Le XXe siècle, die ervoor ijverde dat België na de oorlog grote stukken van Duitsland en Nederland zou annexeren, vier jaar lang in Le Havre. Ook de kranten Het Vaderland en Le Courrier de l’Armée zagen er het licht.

Symbolisch stukje België

Voor koning Albert werd de prachtige Villa Roseraie ingericht, maar de koning liet er zich niet zien. Zoals bekend bleef hij in België, waar hij in een villa in De Panne woonde (en een tijd ook in een kasteelhoeve in De Moeren).

Albert zond wel het hoofd van zijn militaire huis als een soort contactpersoon naar Sainte-Adresse, maar als de ministers Albert wilden spreken, moesten ze hem in de Westhoek opzoeken. Vandaar dat premier de Broqueville meestal verbleef op het kasteel van Saint-Pierre-Brouck (Sint-Pieters-Broek) in Frans-Vlaanderen, waar hij pendelde naar De Panne. In het weekend was de Broqueville in Sainte-Adresse en zat hij er de ministerraad voor.

De regering in Sainte-Adresse was niet echt een regering in ballingschap, want ze controleerde nog altijd het onbezette België. De Franse president Poincaré had toegezegd dat de regering “in volle onafhankelijkheid en soevereiniteit” in Frankrijk mocht verblijven. Sainte-Adresse werd een symbolisch stukje België.

De Belgische Rijkswacht stond in voor de veiligheid. Zelfs enkele straten kregen een naam die aan België herinnerde, zoals de avenue Albert Ier, die nog steeds bestaat. De Belgen hadden er zelfs hun eigen postkantoor, met Belgische postzegels en postbussen.

Buiten Sainte-Adresse konden Belgische postzegels alleen maar in het onbezette België worden gebruikt. De postzegels vormden dan ook een propagandamiddel op zich: zo was er een reeks zegels die de verwoestingen in België afbeeldde.

Iedere ochtend werd bij het spelen van de Brabançonne de Belgische vlag gehesen aan het ministerie van Oorlog. Daarbij waren er steeds militairen en ambtenaren aanwezig, vaak ook gewonden en vluchtelingen. Op 21 juli vonden er een Te Deum en diverse feestelijkheden plaats.

Helemaal rustig was het bestaan er niet, want ook aan de Normandische kust was de oorlog merkbaar. Af en toe schoot de kustbatterij naar een Duitse onderzeeër die zich in de buurt vertoonde. Op 11 december 1915 ontplofte een Belgische munitiefabriek in het naburige Graville-Sainte-Honorine. Daarbij kamen 105 Belgische soldaten om het leven.

Ondanks de aanwezigheid van de regering gebeurde er weinig opvallends. De belangrijkste beslissingen werden genomen in aanwezigheid van de koning, dus in De Panne. Alleen de Verklaring van Sainte-Adresse zou de geschiedenisboeken halen: op 14 februari 1916 verklaarden de vertegenwoordigers van de geallieerde mogendheden plechtig aan de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, baron Beyens, dat België na de oorlog opnieuw een onafhankelijk land moest worden en dat het steun zou krijgen voor zijn herstel.

De herinnering

Toen de Duitsers in 1940 opnieuw ons land binnenvielen, heeft de regering zich opnieuw in Sainte-Adresse willen vestigen ... om er na enkele dagen weer te vertrekken. Ditmaal kon de Duitse aanval niet aan de IJzer of een andere rivier worden tegengehouden.

In het hedendaagse Sainte-Adresse is niet veel meer te merken van de Belgische aanwezigheid. Er kwam wel een standbeeld voor Albert I … die er nooit geweest is. De meeste villa’s werden vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het vroegere hotel Nice-Havrais bleef gespaard en een gedenkplaat herinnert eraan dat de Belgische regering er zetelde.

Voor het gebouw staat nog altijd een typisch Belgische rode postbus … die vandaag door de Franse posterijen gebruikt wordt. En sommige inwoners kunnen vertellen dat ze afstammen van een Belg die er tijdens de Grote Oorlog een Franse partner vond. Sainte-Adresse draagt de Belgische vlag in haar wapen. In 1999 verbroederde de gemeente met De Panne.